Bedoeling niet langer relevant voor kwalificatievraag

De kwalificatievraag, de vraag of een werkverhouding moet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst, speelt in de veranderende arbeidsmarkt een grote rol. Zo oordeelde de rechtbank Amsterdam in 2019 dat (alle) Deliveroo-bezorgers tóch werknemers zijn. En zo daagde de FNV Uber voor de rechter omdat de chauffeurs (volgens de FNV ten onrechte) niet als werknemers maar als zzp’ers worden ingezet.

Voor de rechter is het niet altijd eenvoudig om te beoordelen of er sprake is van een arbeidsovereenkomst of niet. Een recente uitspraak (X/Gemeente Amsterdam) van de Hoge Raad geeft de rechtspraktijk meer richting. Voor de beoordeling van de vraag of iemand als werknemer werkt of niet, is volgens de Hoge Raad niet (meer) relevant of partijen de bedoeling hadden om een arbeidsovereenkomst aan te gaan. In plaats daarvan moet de rechter aan de hand van de rechten en verplichtingen die partijen zijn overeengekomen beoordelen of er sprake zou moeten zijn van een arbeidsovereenkomst. En vervolgens of de overeenkomst tussen partijen ook voldoet aan de vereisten van een arbeidsovereenkomst, zoals persoonlijke arbeid, loon en een gezagsverhouding.

De recente X/Gemeente Amsterdam-uitspraak wordt gezien als belangrijke wijziging ten opzichte van het arrest Groen/Schoevers uit 1997. Uit dat arrest, en ook uit latere uitspraken van de Hoge Raad, werd namelijk wel afgeleid dat de partijbedoeling relevant was voor de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst. In veel opdrachtovereenkomsten werd daarom opgenomen dat partijen uitdrukkelijk niet de bedoeling hadden om een arbeidsovereenkomst aan te gaan. De Hoge Raad heeft nu verduidelijkt dat de schriftelijke bevestiging van de partijbedoeling niet langer relevant is. Hoe partijen feitelijk uitvoering geven aan de overeenkomst is dus doorslaggevend, niet wat partijen op papier zijn overeengekomen. Hoewel niet op voorhand met stelligheid te zeggen is hoe deze uitspraak zal doorwerken in de praktijk, is het goed mogelijk dat lagere rechters eerder geneigd zullen zijn om een rechtsverhouding te bestempelen als arbeidsovereenkomst.

Heeft u vragen over dit onderwerp? Neemt u dan contact op met Bart de Vroe (06-20366243) of Anna Görgün (06-23908453).

Dit artikel is gepubliceerd in de Nieuwsbrief Vestius van december 2020